| Stichting Volksmuziek Nederland – Cursusimpressies | ||||
‘The Morning After’ Maandagmorgen 26 januari 2004. Er zit nog iets in mijn rechter oog en we zijn wat laat. Mijn vers gekochte dubbel-cd ‘25 Jaar Stichting Volksmuziek Nederland’ speelt vierenveertig verschillende volksdeuntjes door mijn ontbijtje. Ik hoor de fluiten uit De Glind weer door mijn huiskamer klinken. Ik vergeet de koffie aan te zetten en Martie moet al bijna weg naar haar werk. Ik heb nog even! Vandaag hoef ik niet! De koffie pruttelt! “Schenk voor mij maar even een half bakje in, terwijl ik de autoramen schoonkrab!”
Een half bakkie zwarte koffie. Een vluchtige zoen. En rood blik racet de straat uit op weg naar een gewone kantoordag. Een gerechtelijk deurwaarderskantoor is toch iets heel anders dan een Iers weekend in De Glind! Mijn vers gekochte cd ‘25 Jaar Stichting Volksmuziek Nederland’ speelt haar deuntjes verder. Ik eet mijn laatste broodje, kijk naar de nog ongeschilderde kaapstander, die ik aan het maken ben voor mijn shanty-koor, op de cd klinkt ‘Ik sta op de kade’ van Nanne Kalma en Ankie van der Meer. Een traantje komt op in mijn oog, terwijl ‘de walm van de petroleumlamp zich vermengt met de geur van het vooronder’. Er zit nog steeds een vuiltje in mijn rechter oog ‘en er zijn er veel, die ik nu al vreselijk mis!’ Even de hond uitlaten. Het is nog koud! En op de hoek glijd ik bijna op mijn ..... Slip-jig Gauw weer naar binnen. Ik mis de warmte van De Glind! De mensen! De muziek! Binnen draait de cd verder. Ik drink mijn koffie en zie weer die twee meiden dansen op de Ierse muziek. De kachel gloeit. Een slip-jig huppelt door mijn kamer. Ik zie een stralende Maaike achter haar cello. Loes gloeit van trots, omdat haar drones werken. En naast haar Liedewijde, voor het eerst niet met dansschoenen, met wél met een rood hoofd van de inspanning én één echte pijp op haar blaasbalg. Dapper als altijd! Thomas reikt al naar de Guinnes voordat ik er om heb gevraagd. Rudy solliciteert naar de bijnaam van een groenvoer etend huppeldiertje, als hij met een hele bak sla naar zijn hoekje verdwijnt, de cd-wisselaar speelt ondertussen de cd ”Blue Room’ van Orion en ik zie Rudy weer met zijn warme grapjes al die strijkstokkers aanzetten tot grotere prestaties. Jenny bescheiden als altijd met al haar dwarse fluiten, maar vandaag klinken ze weer voortreffelijk. Vlak daarnaast: de tinwhistles, blokfluiten en lowwhistles van Jules. (‘Druid Dance’ schitterende cd Jules, bedankt!). Applaus Het applaus voor de fluiten is zo enthousiast, dat Jules even benauwd is, dat men denkt dat het nu al is afgelopen. En meiden het ‘tuut tuut’ klonk schitterend. Dat een fluitje van een cent zoveel lol kan brengen! Johannes, zijn ogen dicht, smekend naar het plafond of starend naar de grond, alsof hij af en toe eventjes ergens anders is, en dan toch één blik naar zijn buurman en hup daar gaat weer een ander ritme. Johannes zingt de melodie voordat hij hem speelt. Ik zou hem wel eens een microfoon willen geven. Geitevel Kees speelt heel ingetogen, zijn rug gebogen met één oor bijna op het geitenvel. (Wat moet ik nog veel leren!) De jonge meiden dansen bij de schemerige bar, terwijl er een schuimende Guinnes over de bar heen schuift naar een dorstige zanger, die met zijn kunstgebit in een glaasje echt perfect Gailic kan zingen. Er druppelt een traantje uit mijn oog, als ik de gevoelige stem van Siomón hoor. Er zit nog steeds een vuiltje in mijn oog! Tempo Dick vertelt mij met duidelijke pret in zijn oogjes, dat hij het tempo bij de presentatie van de trekzakkers niet kon volgen, maar dat hij van Raquel vreselijk veel heeft geleerd dit weekend en dat hij alles heeft opgenomen om thuis het tempo te gaan opvoeren. André probeert tijdens het Open Podium zijn D/G gestemde Van der Aa doormidden te scheuren en is daarbij zo geconcentreerd, dat hij niet eens ziet dat de zaal tijdens ‘The Gathering-jig’ een wave voor hem maakt. En dan denk je misschien, dat je er alleen maar bent om van de leraar iets te leren. Nou mooi niet, want vol trots vertelt Guy over ‘zijn leerlingen’, dat de gitaristen zelf het arrangement hebben gemaakt. Wat er al niet kan groeien tijdens zo’n Iers weekend in de Glind: Mannen en vrouwen uit allerlei landen van totaal verschillende muzikale origine, die elkaar nog nooit hebben gezien en op zaterdagavond om 18.00 uur tijdens het eten toevallig met elkaar zitten te praten en dan om 21.00 uur samen een muzikale of vocale presentatie geven. Bij ‘Idols’ kun je dat wel vergeten, maar bij folkies kijken wij daar niet meer van op. Ik hoor de gitaren, de strijkende snaren, de huilende pijpen, de gevoelige dwarse, de jubelende tinnetjes, de rukkende zakken, de rommelende drums, er huppelt een klein kangeroetje uit de digeriedoo, de meiden glijden al slipjiggend over een bananenschil door mijn dromen, ik begrijp geen woord van dat Gailic zingen, maar heel romantische verhalen zweven door mijn hoofd. Vanonder het weemoedige snorretje dat Arnold draagt, smelt de ene na de andere droge kwinkslag alle gebeurtenissen van dit weekend tot één goddelijke belevenis. Als ik na mijn dood niet in de hemel kom, heb ik deze overheerlijke hemelse dagen toch alvast binnen. Van Martie mocht ik er niet zomaar een paar namen noemen, dus voor de zekerheid maar allemaal van organisator, leraar, medewerker tot deelnemer, allemaal hartstikke bedankt. Ik mis jullie nu al een beetje! Of eigenlijk een beetje boel! Een traantje druppelt! Er zit nog steeds een vuiltje in mijn oog! P.S. Thomas, succes in dat verre, verre land van de Aboriginals en de kangoeroes. Als we een Guinnes opentrekken denken we allemaal een beetje aan jou én aan die met schuim versierde vriendelijke snor van Arnold. |